17e zondag door het jaar B

Post date: Jul 27, 2015 12:44:39 PM

26 juli 2015

Zalige Titus Brandsmaparochie

Johannes 6, 1-15

Zesentwintig juli is de sterfdag van de Zalige Titus Brandsma. Zijn feestdag valt daags daarna op de zevenentwintigste. Omdat onze parochie pater Titus’ naam draagt hebben we zondags welswaar de lezingen van de zondag gehoord, maar het misformulier voor Titus Brandsma gebeden. In de preek heb ik geprobeerd aan die combinatie recht te doen.

Op 3 april 1942, Goede Vrijdag, is er ’s avonds in één van de barakken van kamp Amersfoort een clandestiene samenkomst. Titus Brandsma houdt er een lezing over de geschiedenis van de Nederlandse Lijdensmystiek. Deze voordracht heeft op de aanwezigen een diepe indruk gemaakt. Verschillende van de aanwezigen hebben de oorlog overleefd en getuigen daarvan. Niettemin lopen hun getuigenissen hier en daar uiteen. Of het nu barak II of III was, is daardoor een vraag geworden. Sommigen zeggen dat er meer dan honderd aanwezigen waren, anderen houden het op hooguit dertig. Het zou anders te zeer in de gaten zijn gelopen.

Deze ervaring, één imponerende gebeurtenis maar uiteenlopende verslagen, kunnen we goed meenemen naar het evangeliegedeelte van vandaag. Vorige week lazen we nog uit het Marcusevangelie. En zouden we daar doorgelezen hebben, dan hadden we hetzelfde verhaal gehoord als wat nu uit het Johannesevangelie werd genomen. Deze overstap confronteert ons wel met enige oneffenheden. Al vorige week schetste Marcus de setting voor zijn verslag en konden we opmerkingen dat hij lijkt te duiden op een woestijn, met alle Bijbelse connotaties van dien. Dat blijkt bij Johannes anders te liggen: hij spreekt van veel gras. Vorige week snelden de mensen Jezus vooruit. Vandaag hoorden we dat de Heer zelf eerst aankwam. De vraag zou kunnen opkomen wie hier aan het jokkebrokken is. Beter is het om te zien dat, net als bij de verslagen vanuit die barak te Amersfoort, een en hetzelfde verhaal in elke vorm evenveel indruk maakt en ons tot op de dag van vandaag raakt. Die verschillen zijn niet per se een verarming, maar eerder een rijkdom. Ze brengen ons in contact met de evangelist zelf, zijn ervaringen en vragen. Misschien ook wel met de mensen om hem heen, die evenzogoed bepaalde belangstellingen hadden.

Zien we dat, dan kunnen de verschillen ook interessant worden. Bijvoorbeeld dat Johannes vandaag opmerkt dat het vlak voor Pasen was. Daarmee rijgt hij deze wonderlijke maaltijd met de vijfduizend aaneen met die andere wonderlijke maaltijd later eveneens vlak voor Pasen: het Laatste Avondmaal. En wie eenmaal Laatste Avondmaal heeft gezegd, noemt ook de erop volgende wonderlijke maaltijd die sindsdien wordt gevierd: de eucharistie. Johannes verbindt ze aan elkaar.

We weten vrij zeker dat de voordracht van Titus Brandsma voor een flink deel van de aanwezigen te hoog gegrepen was. Lang niet iedereen zal hebben kunnen vatten wat hij precies zei. Toch spreken ze allemaal over een ervaring die hun in het hart raakte. Als we met elkaar spreken over de drie genoemde wonderlijke maaltijden, als we inzoomen op onze ervaringen met de eucharistie, kan ons hetzelfde overkomen als de mensen rondom Titus Brandsma. Sommigen onder ons zullen misschien allerlei finesses doorzien of aanvoelen, anderen niet of minder. Allemaal doen we een ervaring op, die ons raakt in het hart. Om ons te helpen iets van woorden aan deze ervaring te geven, komt Johannes ons vandaag tegemoet. In het verhalen van de broodvermenigvuldiging schenkt hij ons alvast een paar grote lijnen, die we dan later wel kunnen verfijnen.

Als eerste maakt hij ons erop attent dat het om bij alle drie maaltijden om heel veel mensen gaat. Vandaag alleen al vijfduizend mannen. Het Laatste Avondmaal zal dan met een klein groepje gevierd zijn, de inzet is duidelijk heel veel mensen. En vieren we eucharistie, dan kunnen we ons misschien beklagen over het geringe aantal aanwezigen. Maar wie goed kijkt en alle mensen bij elkaar optelt die vandaag ergens eucharistie vieren, ontdekt dat het er heel veel zijn. Allemaal zijn ze net als die vijfduizend rondom Jezus verzameld, voor Hem gekomen en door Hem tot één gemeenschap opgebouwd. Dat we vandaag uiteenvallen in kleinere of grotere groepen onder verspreid staande kerkdaken, maakt dan niet uit. Johannes wijst ook op onze eigen inbreng. Die vijfbroden en twee vissen stellen niets voor als een dergelijke menigte moet worden gevoed. Toch wil Jezus graag deze inbreng aanvaarden en als vertrekpunt nemen voor wat Hij te geven heeft. Zo is het ook vandaag. De eucharistie gaat niet langs ons heen en ook niet over ons heen, maar wordt met ons gevierd. Onze inbreng – letterlijk brood en wijn voor op het altaar alsmede de collecte aan de voet ervan, bedoeld is ons eigen leven – is ten opzichte van wat Jezus schenkt gering, maar het doet er toe. Heel ons bestaan met al het goede, met minder goede en het kwade mogen we inbrengen. Jezus aanvaardt het als vertrekpunt voor wat zijn inbreng zal zijn: zijn eigen leven als ons leven. Dan volgt er een waarschuwing. Johannes vertelt dat de mensen Jezus willen grijpen en als koning huldigen. Dat was niet de bedoeling en Jezus maakt dat Hij wegkomt. Laat er geen misverstand zijn: voor Johannes staat vast dat Jezus koning is, maar niet op deze manier. En we mogen aldus niet te snel denken het allemaal wel te snappen en onze goedbedoelde conclusies trekken. Nee, het Koninkrijk is van God en komt van God zoals en wanneer Hij wil. Het vraagt van ons geduld, het vraagt ontvankelijkheid om te ontvangen wat God op zijn tijd wil geven. Het vraagt geloof en vertrouwen. Maar al wel met de zekerheid: het gaat over heel veel mensen en het zal niet langs ons gaan, niet over ons heen gaan maar met ieder van ons.